Klein en Volkers zijn witheet vanwege deze gang van zaken. "Langs
illegale weg verkregen munten zijn op een legale wijze ter verkoop aangeboden,
met medeweten van een rijksinstelling. Volgens deskundigen is dit het werk van
specialisten met de juiste kennis om een illegale vondst op legale wijze in de
handel te brengen. Je kunt het vergelijken met het witwassen van zwart geld. Ons
is een schat ontfutseld."
Volkers kreeg afgelopen vrijdag de tip dat de munten maandag ter veiling
zouden worden aangeboden. Vanuit Sassenheim wilde men echter geen inlichtingen
geven over degenen die de munten aanboden. De munten werden schoongemaakt en
gedetermineerd door het Rijkspenningenkabinet. Dat wilde over de aanbieders van
de munten echter -uit gewoonte- evenmin iets zeggen. De kerkvoogd bracht ook het
Rijksinstituut voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) op de hoogte, dat in en
om de Michaëlskerk opgravingen heeft gedaan.
"Daar wisten ze niet wat ze hoorden. Voor het onderzoek van het ROB is de
restauratie een week stilgelegd. Ze zijn van voor tot achter aan het graven
geweest, vaak nog tot ‘s avonds laat, en hebben geen munten van betekenis
gevonden, afgezien van een bronzen penning uit de veertiende eeuw. Alles hebben
ze uitgekamd. Daarom snappen ze niet hoe dit gebeurd kan zijn".
Monumentenwet
Alles wat in of bij een monument wordt gevonden en ouder is dan vijftig jaar,
valt onder de monumentenwet. Vondsten moeten in zo’n geval worden aangemeld bij
de burgemeester, die het ROB dient te waarschuwen. Dan wordt de vondst
gedocumenteerd en in overleg met de eigenaar naar een bepaalde plaats gebracht.
Het moge blijken dat deze procedure niet is gevolgd. Via allerlei omwegen is nog
getracht de veiling te verhinderen, maar dat bleef zonder succes. Het pronkstuk
van de collectie -een gouden gulden uit de late vijftiende eeuw- maakt nu deel
uit van de historische collectie van De Nederlandsche Bank.
Van negen van de tien munten is Oosterland als vindplaats aangemeld. De
tiende is aangetroffen in Den Oever in een hoop grond, die van de kerk afkomstig
was. Die was overgebleven van het graafwerk van de crypte onder het koor en is
later in Den Oever gestort. De vinders moeten goed op de hoogte zijn geweest van
deze gebeurtenissen en hun ogen tijdens de werkzaamheden wellicht goed de kost
hebben kunnen geven.
Maar wie hebben er, buiten het ROB, gegraven en wanneer? Klein weet dat het
in principe iedereen zou kunnen zijn. "Er meldden zich ook een keer amateurs met
metaaldetectors. Ze kregen toestemming om te zoeken en wisten dat ze een
eventuele vondst aan ons moesten overdragen. Maar het kan net zo goed een ander
zijn geweest. De kerk was op slot als er niet gewerkt werd, maar rondom de
bouwplaats hebben hopen met aarde gelegen. En ja, wie zijn hier allemaal
niet bezig geweest in die tijd? Tientallen mensen. Zoiets is niet bij te
houden".
Via de organisator van de veiling of het Rijkspenningenkabinet moet
gemakkelijk te achterhalen zijn, wie de stukken ter verkoop heeft aangeboden.
Zij beroepen zich op hun discretie, maar dat kan wellicht anders worden als
inderdaad blijkt, dat er strafbare feiten zijn gepleegd. Dan zouden ze kunnen
worden gedwongen tot opening van zaken. Het Rijkspenningenkabinet heeft intussen
aangeboden de vinders en de kerkvoogdij met elkaar in contact te brengen. Ook
worden de determinatierapporten opgestuurd. "Zodra we precies weten wat ons is
ontstolen, kunnen we aangifte doen. We zullen kijken hoe sterk we juridisch
staan. En misschien zijn er nog wel meer munten gevonden, maar hebben ze niet de
hele partij op de markt willen brengen", zegt Volkers, bijgevallen door Klein.
Het is het tweetal bijzonder tegengevallen dat men bij het
Rijkspenningenkabinet vlak voor de veiling die indruk heeft gewekt dat het om
niet zulke bijzondere munten zou gaan. "Er werd gezegd dat het muntstukken
waren, die de mensen in de kerk hebben verloren, dat was natuurlijk gelogen.
Zo’n gouden gulden is veel waard. De kerk was vroeger ook een plek waar geld
werd gewisseld en handel werd gedreven.
Kenners
Er is de restauratiecommissie van de kerk veel aan gelegen om de onderste
steen boven te halen. "Er zijn hier mensen wezen zoeken en die hebben iets
gevonden dat ze niet mochten houden", pakt Klein de kern van het probleem.
Volgens een deskundige is hier iemand aan de gang geweest die precies wist wat
hij moest doen. Dat geeft te denken, het zijn kenners geweest, die over
professioneel materiaal beschikten. En nu zullen ze als de dood zijn dat hun
naam bekend wordt."
"Moet je nagaan, we zijn hier al jaren aan het martelen om de eindjes aan
elkaar te knopen. Met een groot aantal vrijwilligers zijn we hier belangeloos in
de weer en dan komen er even wat mensen langs om de krenten uit de pap te halen.
Maar het gaat niet om het geld, het gaat om de munten! Die zouden we zouden we
moeten hebben. Ze horen hier! Het zou toch prachtig zijn, als we ze hier konden
tonen?".
Het pronkstuk van het tiental munten, dat maandag werd geveild, was een
Sint-Maartens goudgulden uit de periode 1481 – 1483, met de afbeelding van de
graaf Engelbert van Kleef. Van deze munt zijn maar twee andere in Nederland