Informatie over het Teschemacherorgel
van de Michaëlskerk

Het TESCHEMACHER-orgel van de Michaëlskerk te Oosterland.
Het instrument is een groot en zeer kunstzinnig uitgevoerd
huisorgel, gemaakt door Jacob Engelbert Teschemacher in het jaar 1762.
In juni 1990 werd het orgel gedemonteerd en ging de kas naar
het meubelrestauratieatelier Berghuis te Voorschoten alwaar onder andere het
prachtige wortelnoten beleg opnieuw werd verlijmd. A.H. de Graaf, orgelmaker te
Leusden, die dit orgel ook bij de vorige restauratie in 1974 reeds onderhanden
had, heeft ook nu het pijpwerk, de balgen en tractuur onderhoud gegeven waarbij
een deel van de tractuur vernieuwd is.
Het is verbazingwekkend dat het orgel met zo’n lange en
bewogen historie nog vrijwel in de originele toestand verkeert. De
orgelwerkgroep als onderdeel van de Culturele Kring Wieringen zal erop toezien
dat het orgel ook voor de komende generatie behouden zal blijven en dat nog
velen van haar warme klanken zullen kunnen genieten.
Het volgende is een uittreksel uit het boekwerkje: ‘dit wordt
gezegd een schoon werk te zijn’, een uitgave van de Orgelwerkgroep Oosterland.
DIT WORDT GEZEGD EEN SCHOON WERK TE ZIJN
De titel van dit boekje duidt op bewondering, bewondering voor
het Teschemacherorgel.
Deze uitspraak komt voor in een handschrift van omstreeks
1815. Het was bedoeld als een aanvulling op het boekje dat de Goudse organist
Joachim Hess in 1774 uitgaf onder de titel: "Dispositiën der merkwaardigste
kerkorgelen", en droeg dezelfde naam. Het wordt in orgelkringen dan ook "Hess 2"
genoemd. Het Teschemacherorgel wordt er in zijn "Velser periode" in beschreven.
Er staat verder:
"Dit orgel heeft eertijds als huisorgel gedient aan ‘t huis
van eene aanzienlijke familie, gemaakt door één der beroemdste orgelmakers,
Teschemacher in Elberfeld. en door P. Smidt in deze kerk overgebragt".
Het Teschemacherorgel is dus oorspronkelijk voor het huiselijk
muciseren gebouwd, zoals dat in de betere kringen in de 17e en 18e eeuw
gebruikelijk was. Honderden kleinere en grotere huisorgels vonden in die tijd
hun weg van orgelbouwer naar landhuizen en lustplaatsen.
Het is onbekend wie Teschemacher de bouwopdracht gaf, maar dat
het een naar vermogen ‘aanzienlijke’ is geweest, staat vast. Immers, de
schitterende uitvoering, in wortelnoten- en eikenhout, het fraaie pijpwerk en de
uitbundige dipositie van het orgel verraden dat geld blijkbaar geen rol speelde.
Het instrument duikt voor het eerst op in 1806 -44 jaar na de
bouw- in een brief die mr. J.S. van de Poll, eigenaar van ‘t Huis ter Spijk te
Velsen, schrijft aan de kerkenraad van de Engelmunduskerk aldaar.
Mr. Van de Poll beschrijft daarin "wegens een bijzondere
omstandigheid" het orgel in handen te hebben gekregen en biedt het aan als
geschenk, mits het goed bespeeld en verzorgd wordt.
De kerkenraad aanvaardt het geschenk dankbaar en laat het
orgel in mei van dat jaar door de Goudse orgelmaker J.P. Smit en zoon
overbrengen van Rotterdam naar Velsen. Waar het in Rotterdam precies stond is
niet duidelijk. Waarschijnlijk was het reeds lang in het bezit van de familie
Van de Poll. Het kerkelijk archief van Velsen geeft namelijk aanwijzingen in die
richting: "Het was tot dezen tijd toe het eigendom van eene, ook alhier, zeer
geëerde Familie".
Ook het feit dat genoemde orgelmaker Smidt het voor de
overplaatsing reeds meer dan twintig jaar in onderhoud had, wijst in die
richting.
Tot 1902 bleef het orgel in de Engelmunduskerk staan. In dat
jaar werd het te koop aangeboden, omdat men in Velsen "wel eens iets anders
wilde". Dat ‘anders’ bestond uit een ‘modern’ en groter instrument, met -naar de
geest van de tijd- de weke, strijkende stemmen, die zo kenmerkend zijn voor de
orgels uit deze periode.
De Nederlands Hervormde Gemeente van het eiland Wieringen was
al jarenlang aan het sparen voor een echt orgel dat in de 12e-eeuwse
Michaëlskerk van Oosterland geplaatst moest worden. Rond de eeuwwisseling
heerste er op het eiland namelijk een soort orgelkoopwoede. De orgels van de
hervormde- en de doopsgezinde kerk van Hippolytushoef en dat van de voormalige
kapel van Den Oever stammen alle uit diezelfde tijd. Alleen Oosterland zat nog
aan het harmonium gekluisterd.
Toen men via de kerkelijke kanalen van het aangeboden orgel
hoorde, reisden enige kerkvoogden met de organist Cornelis Koorn naar Velsen om
het orgel te bezichtigen en te bespelen. Men besloot onmiddellijk tot de aankoop
van het instrument, het koopcontract werd getekend en voor € 545 was de
Michaëlskerk van een eigen instrument verzekerd. In onze tijd is dat geen bedrag
om ‘s nachts wakker van te liggen, maar voor de Wieringers van toen, arme boeren
en vissers, moet het een reusachtig besluit zijn geweest.
Op het eiland teruggekeerd werd het vervoer van het orgel
geregeld. De dorpstimmerman Dirk Bakker maakte de kisten waarin het pijpwerk en
andere kwetsbare delen vervoerd moesten worden. Samen met Cornelis Koorn, de
grootvader van de huidige organist Kees Klein, reisde hij naar Velsen en
demonteerde het orgel. Het tjalkje van Simon Bakker Jbzn. werd volgeladen met
het in kisten verpakte orgel en zo voer men over zee naar het haventje van
Den Oever. De opbouw van het instrument nam de gehele nazomer in beslag, maar in
de maand oktober stond het opgesteld en gestemd op zijn huidige plaats. In
diezelfde maand werd het in een kerkdienst op zondagmorgen feestelijk in gebruik
genomen.
In de jaren die hierop volgden stond het orgel min of meer
vergeten op Oosterland. Ook het feit dat het eiland Wieringen in 1932 uit zijn
isolement gehaald werd, door de aanleg van Afsluitdijk en de drooglegging van de
Wieringermeer, had geen invloed op de belangstelling van de ‘vaste wal’.
Pas na de oprichting van de ‘Orgelwerkgroep Oosterland’ in
1967 komt er weer leven rond het instrument en krijgt het de aandacht die het
verdient. Dan ontstaat ook de wens om tot restauratie te komen van het inmiddels
nogal verwaarloosde orgel. Het probleem is natuurlijk geld, er is veel geld
nodig!
Binnen de muren van de Michaëlskerk organiseerde de werkgroep
demonstraties, concerten en nodigde zij beeldende kunstenaars uit hun werk te
exposeren. Een groeiend aantal belangstellenden kwam kijken en luisteren, mee
doen aan zang en muziek. De opbrengst van deze evenementen kwam geheel ten goede
aan de kas van de orgelwerkgroep. In 1967 was dit € 1,93.
Nu, na 7 jaren keihard werken, is het bedrag, samen met de
bijdragen van kerk en het rijk toereikend om het Teschemacherorgel te laten
restaureren. Dit dankzij de hulp van velen die getroffen werden door de liefde
van mensen voor een instrument. De totstandkoming van deze restauratie is voor
de orgelwerkgroep dan ook een zeer belangrijke mijlpaal in haar (zij het nog
korte) geschiedenis.
Kees Klein.
De dispositie is in volgorde vanaf het front:
|
|
|
|
Principal 4’ |
in het front geplaatst |
|
Bordun 8’ |
eikenhout |
|
Unda Mans 8’ disc. |
grenenhout, naamplaatje geeft aan: 2 Fusz dat
is gerekend vanuit c één gestreept |
|
Violin 8’ |
baskant uit Bordun 8’ disk, metaal grenenhout |
|
Fleut Traverso 4’ |
grenenhout |
|
Cornet 3 st |
klinkt als Quintadeen |
|
Nachthorn 4’ |
|
|
Octava 2’ |
|
|
Flageolet 2’ |
cylindrisch, in de bask. gedekt |
|
Super Octava 1’ |
|
|
Fagot 8’ bask |
Bekers van grenenhout, eikenhouten stevels in
eikenhouten blok. houten lepels van waarschijnlijk perenhout |
|
Schalmey 8’ disk. |
metalen bekers, eikenhouten stevels in
eikenhouten blok |
|
Vox Humana 8’ disk. |
aangebracht aan de onderzijde van de
windlade; eikenhouten stevels in eikenhouten blok, bekers van hetzelfde
metaal als de frontpijpen, onderstuk trechtervormig, bovenstuk cilindrisch;
zeer langzaam verlopende mensuur; lepels en tongen van messing. |
|