Het zilveren zwaard van de watergeus
Willem Bloys van
Treslong
het verhaal over hoe het zilveren zwaard van
de watergeus Willem Blois van Treslong belandde in de Michaëlskerk
Dit verhaal speelt zich af aan het begin van de
Tachtigjarige Oorlog. Willem Blois van Treslong (*1530
†1594) is waarschijnlijk al jong actief in de
scheepvaart. Hij valt op door zijn stijd om godsdienstvrijheid en heeft
als watergeus zijn sporen snel verdiend. Hij vecht in de slag om
Heiligerlee (1568), waarmee de Tachtigjarige Oorlog officieel begint.
Vier jaar na het begin van deze oorlog, in de
winter van 1572, maken de watergeuzen de Zuiderzee en de Waddenzee onveilig.
In februari vriest het zo hard dat een aantal schepen vast zit bij Wieringen.
De schepen van de kapiteins Willem Blois van Treslong, Jelte Eelsma en Pieter
Simonsz Meyns kunnen geen kant meer op ...

Nadat de watergeuzen boerderijen op Wieringen
hadden geplunderd, dreigt een groep Wieringer boeren de schepen aan te vallen.
Willem Blois van Treslong wil onderhandelen maar zijn collega Pieter Simonsz
Meyns is minder diplomatiek. Hij waagt zelfs een aanval op de Wieringers.
En toen ging het mis: de aanval mislukt voor de watergeuzen grandioos en
zeventien geuzen, onder wie Pieter Simonsz Meyns worden door de Wieringers om
het leven gebracht. Volgens geschiedschrijver Pieter Christiaenszn Bor,
dwingen de Wieringers Willem Blois van Treslong te zweren dat hij geen wraak
neemt. Hij belooft dit en geeft hen als onderpand zijn zwaard.
De bezegeling van Willem van Treslong's belofte
is bewaard gebleven: zijn zwaard hangt in de kerkruimte boven de uitgang, waar
het door de dorpelingen werd opgehangen als herinnering aan een bewogen periode
in de Wieringer historie. Maar
hiermee is het verhaal nog niet afgelopen.
Willem Blois van Treslong zat nog steeds in
dezelfde benarde positie toen soldaten uit Enkhuizen onderweg gingen om de
geuzen te pakken. Willem Blois van Treslong vraagt de Wieringers te helpen
de schepen los te hakken uit het ijs. De Wieringers doen dat en het
scheepsgeschut van de geuzen houdt de eskaders uit Enkhuizen op een afstand
Uiteindelijk kan hij wegkomen om de Spanjaarden elders het leven zuur te maken.
In historische teksten is wordt het verhaal over de verstoring van de rust op
Wieringen beschreven:
Uit het zesde deel van de indrukwekkende reeks
"Vaderlandsche Historie der Vereenigde Nederlanden, inzonderheid die van
Holland", uitgegeven bij Isaak Tirion te Amsterdam in 1752, citeren wij het
volgende:
"Willem Bloys van Treslong, last van den prinse
van Oranje bekomen hebbende, om twee schepen in zee te brengen, hengelde, met
een der zelven, in sprokkelmoarid, omtrent de gaten der Zuiderzee. De vorst
noodzaakte hem, eerlong, onder Wieringen te loopen, daar hy door ‘t ys bezet
raakte, en tot in lentemaand toeven moest.
En de zynen kwamen hier dagelyks aan land: doch
de Wieringers bragten er op éénen nagt, zeventien, die eenigen moedwil gepleegd
hadden, om ’t leeven. Treslong, naderhand, eenen eed afvergende, dat hy ‘t hun
nimmer vergelden zou. Grooter gevaar liep hy van het Spaansche Krygsvolk. Bossu
zondt vier vendelen knegten, onder Jan Simonszoon Rol, naar Wieringen, om
Treslongs schip te bemagtigen. ‘t Werd, eerst, naar Krygsgebruik, opgeeischt.
Doch Treslong wees hen op zijn geschut, zeggende, niets dan kruit en lood voor
hun ten beste te hebben. De Spaanschen bragten toen eenige praomen en sleeden op
‘t ys, waaruit zy hevig vuurden op ‘t schip; doch zy werden, uit Treslongs
geschut, zoo begroet, dat zy wyken moesten. Midlerwyl, arbeidde Treslongs volk,
om ‘t schip los te byten, dat eindelyk lukte. ‘t Schip schoot uit het ys, en
ontkwam ‘t gevaar, hebbende niet meer dan eenen man verloren.
Treslong wendde toen den steven naar Engeland,
daar hy zig voegde by ‘s Prinsen Vloote, onder Willem, groove van der Mark,
Heere van Lumei, die nu tot admiraal verheeven was.
De geschiedschrijver Pieter Christioenszn. Bar,
1559 - 1635, geeft in zijn boek "Oorsprongk, begin ende vervolgh der
Nederlandschen oorlogen, beroerten ende burgerlijcke oneenigheden" een nog
bloemrijker beschrijving van het gebeurde:
"In ‘t voorgaande boek is verhaald hoe dat
Grove Edsaert van Oost Vriesland hadde doen vangen Jonker Willem van Bloys,
gezeid Treslong en hoe de zelven, na zijn ontslaginge cauti gesteld hebbende van
dat hy niet en zoude vertrekken uit Embden, eindelijk vandaar vertrokken is
onder voorgaande protestatie, nadat hij omtrent veertien weken tevergeefs zijn
gehele ontsloginge of gerechtelijke aansprake verzocht en gesolliciteerd hadde.
Deze voorzeide Treslong hebbende volgens Zijne commissie van den Prince van
Oranje, toegerust een schip van oorloge, waarop hij als kapitein commandeerde,
is daarmede op den tienden Februari uit het Vliet zeil gegaan in meninge om naar
Tessel te lopen. Maar alzo het zeer vroor, zo heeft het ijs hen gedwongen te
lopen- tot Wieringen. Daar lag hij tot in de Maart, gaande met zijn volk
dagelijks op ‘t land, eten en drinken, zonder dat hij vandaar kon vertrekken.
Want het vroor in denzelven tijd geweldig hard hetwelk verstaan zijnde van den
Grove van Bossu, stadhouder van Holland in plaatse van den Prince van Oranje aan
de zijde van den hertog van Alva, heeft aldaar gezonden den Vice—Admiraal Jan
Sijmonsz. Rol met vier vaandelen soldaten menende het voorzeide schip met alle
het volk te vangen. Deze kwamen daar zo onvoorzien dat zij bijna de kapitein met
het meeste volk, hetwelk te lande was, zouden hebben verrast en gekregen en
hadden nauwelijks tijd te scheep te komen, maar kwamen nog meestal te scheep,
uitgenomen hunlieder constabel, die vanzelf wegliep bij de vijanden. Deze
kapiteinen aldaar aangekomen zijnde zonden een bode aan ‘t schip en deden het
opeisen. Treslong gaf kwade antwoord en zeide dat hij op hunlieden niet en
paste, hij en wilde schip noch goed niet verlaten en hadde voor hun lieden niet
dan kruit en lood ten beste, ‘t welk verstaande zijn zij al ‘t samen daarop
aangekomen om het schip, aldaar in het ijs bevroren leggende, te bevechten en
nemen. Maar Treslong schoot er zo geweldig uit met zijn geschut, dat zij zeer
haastig en met vreze, achter den dijk geweken zijn. Daarna hebben zij veel
praamkens en sleeden met aarde op het ijs gebracht en geschut, en schoten wel
vierhonderdachtentachtig schoten op het schip, zonder ‘t zelve iet te kannen
krenken, want zij en dorsten niet te na onder Treslongs geschut te komen. Doch
werd de schipper van het schip geschoten, dewelke zij als eene vrouw hulden en
met kamers van bassen aan armen en benen gebonden deden in ‘t water zinken.
Treslongs volk arbeidde zeer met bijten en anders, om ‘t schip los te krijgen,
ten aanzien van hunne vijanden, die zo na niet en dorsten komen dat zij het
konden beletten. Ten lesten kwamen zij los en schietende zeer geweldelijken
begekten zij hunne vijanden en voeren het zeewaarts in zonder iemand anders dan
de voorschreven schipper verloren te hebben, ‘t welk groot wonder was, en
zeilden voorts in Engeland.
Terwijlen
Treslong aldaar te Wieringen lag, zo hebben die van Wieringen op énen nacht
zeventien soldaten van Treslongs volk, die wat moedwillig waren geweest
doodgeslagen en vermoord, en kwamen voorts bij Treslong, daar hij zonder veel
volks was en dwongen hem te zweren dat hij ‘t zelve nimmer meer en zoude
gedenken of wreken".
|